Hoe werkt het werken met de virtuele omgeving tijdens de les zelf?
Tijdsbesteding
Bij de scholen die aan de pilot virtuele omgevingen van Kennisnet hebben meegedaan werkten leerlingen ongeveer twee tot vier uur per week aan het project. De meeste leerlingen deden dit op school zelf. Deze tijd kan als een indicatie gezien worden voor de hoeveelheid tijd die per week aan het project besteed moet worden. Sommige leerlingen raken heel erg enthousiast en bevinden zich meer tijd in de virtuele omgeving. Uiteraard is het van belang dat dit niet ten koste gaat van het andere schoolwerk van deze leerlingen.
Concreet einddoel
Bij de start van het project is het handig te beginnen met het maken van een plattegrond. Leerlingen kunnen daarbij discussiëren over welke objecten er nu precies gemaakt moeten worden en waar deze moeten komen te staan. De taken kunnen daarna verdeeld worden onder de deelnemende leerlingen. Ook kunnen leerlingen dan naar een concreet doel toe werken vanaf het begin. Wanneer het doel voor de leerlingen niet vanaf het begin duidelijk is, mist de leerling iets concreets waarop hij/zij terug kan vallen voor het uitvoeren. Als een leerling iets over windmolens moet maken, kan er gericht gezocht worden naar informatie en aan een object worden gewerkt. De leerling kan bijvoorbeeld eerst meer informatie inwinnen over het onderwerp, bedenken hoe dit gerepresenteerd kan worden in de virtuele omgeving en aan de objecten werken die daarvoor nodig zijn.
Is een training nodig?
Bouwen is voor de meeste leerlingen geen onoverkomelijk probleem. Een introducerende training is nuttig, waarbij de leerlingen dan van iemand met ervaring leren hoe ze in de virtuele omgeving kunnen werken en hun doel realiseren. Bij de uitgevoerde projecten bleek dat leerlingen vooral bij elkaar te rade gingen als ze iets niet wisten. Het is dan ook belangrijk om deze samenwerking te stimuleren.