Hoe kan ik virtuele omgevingen in de klas inzetten?
Inhoud |
Het kiezen van een onderwerp
Om de virtuele omgeving in de klas goed te gebruiken is het verstandig om het project te koppelen aan een concreet onderwerp of project. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan het Nederlands waterlandschap, architectuur/geschiedenis en aardrijkskundige fenomenen. Een voorbeeld van een project dat gemaakt zou kunnen worden in de virtuele omgeving zou bijvoorbeeld de Romeinse bouwkunst kunnen zijn. Leerlingen maken daarvoor enkele gebouwen in de Romeinse bouwstijl en presenteren daarin informatie over de bouwstijl en de functie van deze gebouwen. Hiervoor moeten de leerlingen verschillende dingen leren en uitvoeren.
Welke kennis en vaardigheden doen leerlingen op? Eerst moeten de leerlingen een verkennend onderzoek doen naar Romeinse gebouwen en de bouwstijl. Ze selecteren daarna een aantal typisch Romeinse bouwwerken die de leerlingen verder uitwerken en maken een plattegrond waarop staat aangegeven waar de objecten moeten komen te staan. De gebouwen die de leerlingen uitbeelden kunnen onderverdeeld worden in subgroepen van bijvoorbeeld twee tot drie leerlingen. Over de functie van deze gebouwen moet dan ook weer informatie verzameld worden. Leerlingen gaan werken aan het gebouw zelf en bedenken daarbij hoe en welke informatie over het object ze kunnen tonen in de virtuele omgeving. Wekelijks komen alle leerlingen samen om het project door te nemen. Leerlingen kunnen dan problemen met het bouwen aan elkaar voorleggen en afspraken met elkaar maken. Ook kan de voortgang worden bekeken. De subgroepen moeten onderling weer goed overleggen waar welk gebouw moeten komen te staan. Leerlingen zijn afhankelijk van elkaar om het project af te maken en deze positieve afhankelijkheid stimuleert de samenwerking binnen de projectgroep. Uiteindelijk presenteren de leerlingen wat ze gemaakt hebben, waarin ze vertellen over het onderwerp en uitleggen hoe ze tot het resultaat zijn gekomen.
Fasering binnen het project
1. In fases zou dit voorbeeldproject er zo uit zien:
2. Leerlingen doen een verkennend onderzoek naar Romeinse gebouwen en bouwstijlen.
3. Een aantal gebouwen wordt uitgekozen, deze gaan de leerlingen dieper uitwerken.
4. Er wordt een plattegrond gemaakt waarop staat welke gebouwen waar komen te staan.
5. Per gebouw worden er subgroepjes gemaakt.
6. Leerlingen doen verder onderzoek naar de gebouwen en beginnen met de bouw van de objecten.
7. Wekelijks komen de leerlingen samen om het project door te nemen en eventuele problemen met bijvoorbeeld het bouwen aan elkaar voor te leggen. Ook kunnen ze dan ideeën uitwisselen en afspraken maken.
8. Leerlingen verzamelen informatie over de gebouwen en hun functie en ze moeten daarbij bedenken welke informatie van belang is om over te brengen en hoe deze geplaatst moet worden.
9. Leerlingen presenteren het eindresultaat.
Rol van de virtuele omgeving
De virtuele omgeving moet bij een project niet het doel op zich zijn, maar kan gezien worden als een plek waarin een product komt te staan dat door samenwerking tot stand is gebracht. Alle kennis die de leerlingen individueel hebben opgedaan wordt gerepresenteerd in deze virtuele omgeving. Het leerproces zit dan ook vooral in kennis die de leerlingen op doen in het proces waarin leerlingen zelf kennis construeren over een bepaald onderwerp. Een object in de virtuele omgeving dient als het ware als een kapstok voor de kennis die leerlingen opdoen over een onderwerp. Samenwerking is daarbij essentieel. De virtuele omgeving dient daarnaast vooral als een middel om leerlingen te enthousiasmeren en te activeren om iets over een bepaald onderwerp te leren.
Het schoolgebouw nabouwen?
Het bouwen van een school blijkt vakinhoudelijk minder interessant te zijn. Het kan een goede oefening zijn om te bouwen, maar de leerlingen leren dan vooral hoe ze moeten bouwen. Een schoolgebouw kent beperkingen in de manier waarop informatie gepresenteerd kan worden. In de omgeving buiten de school zijn er veel meer mogelijkheden om informatie te representeren. Een praktisch voorbeeld hierbij zijn windmolens. In een schoolgebouw kunnen deze alleen met tekstuele informatie, plaatjes en video’s worden gepresenteerd. Buiten het schoolgebouw kan een windmolen zelf geplaatst worden, met meer vrijheid en plaats om informatie te tonen.
Docent als procesbegeleider
De rol van de docent bij een project in de virtuele omgeving is meer de rol van procesbegeleider. De kennis van een vakdocent is een goede bron voor de leerlingen en de docent kan het uiteindelijke product evalueren dat de leerlingen opleveren. De leerlingen moeten zelf uiteindelijk de objecten bouwen die in de virtuele omgeving komen te staan en op die manier zelf actief met kennis omgaan. Het stimuleren van samenwerking, het formuleren van een concreet doel, samenwerken met leerlingen aan dit doel en er voor zorgen dat dit doel niet uit ogen wordt verloren zijn bij virtuele omgevingen belangrijke taken voor de docent.