Belangrijkste punten om mee te nemen in de praktijk
Uit Games2Learn
Inhoud |
Technisch:
- Controleer goed of de virtuele omgeving functioneert. Doe dit niet alleen door te kijken of de virtuele omgeving op één pc draait door even in te loggen, maar doe dit over een langere tijd (een uur bijvoorbeeld) en met meerdere pc’s tegelijk. Problemen kunnen dan in een vroeg stadium geconstateerd worden.
- Breng systeembeheer op de hoogte van het project en maak afspraken betreffende de ondersteuning en benodigdheden
- Kies de omgeving die bij het project past. Sommige functionaliteiten zijn wel/niet aanwezig bij een virtuele omgeving, of zijn makkelijker te realiseren in de ene dan in de andere virtuele omgeving.
Organisatorisch:
- Creëer een plek in de ELO waarmee de docent deelnemende leerlingen makkelijk kan bereiken. Afspraken en projectdocumenten kunnen daar ook geplaatst worden. Leerlingen kunnen er discussiëren over het project.
- Maak van te voren alvast een duidelijk plan en stel concrete doelen op die tijdens het project gehaald moeten worden. Hiermee wordt voorkomen dat leerlingen zonder een duidelijk doel voor ogen aan het project beginnen. Eventueel kan in de loop van het project altijd nog bijgestuurd worden.
- De keuze welke leerlingen meedoen aan het project kan gevolgen hebben. Leerlingen die zichzelf opgeven zullen enthousiast zijn. Leerlingen uit verschillende groepen en klassen kennen elkaar mogelijk niet, wat samenwerking kan bemoeilijken. Leerlingen die aan het project moeten meedoen vinden bouwen misschien moeilijk. Echter zijn er altijd leerlingen die het bouwen interessanter vinden dan anderen en zijn er verschillende taken mogelijk. Virtuele omgevingen sluiten aan bij de belevingswereld van de leerlingen.
Praktisch:
- Maak bij het begin van het project het doel duidelijk aan de leerlingen. Binnen dit doel is er vrijheid voor de leerling om zelf invulling te geven aan de inhoud van dit doel.
- Baken een gedeelte af waar leerlingen kunnen experimenteren met bouwen, ook als dit misschien niets te maken heeft met het project zelf. Leerlingen kunnen door experimenteren veel leren over het bouwproces.
- Een vast uur waarop alle leerlingen fysiek samenkomen voor het project kan samenwerking stimuleren. Leerlingen kunnen dan problemen aan elkaar voorleggen. Leerlingen zoeken namelijk vooral hulp bij elkaar.
- Leerlingen die al projecten hebben gedaan in een virtuele omgeving kunnen voor toekomstige projecten mogelijk dienen als ondersteuning voor nieuwe leerlingen.
- Maak samen met de leerlingen een plattegrond van de virtuele omgeving. Hierin komt te staan welke objecten er gemaakt moeten worden en waar deze moeten komen te staan.
- Maak een taakverdeling waarin staat welke leerlingen aan welke objecten werken. Werken in groepjes is aan te raden, zodat leerlingen altijd directe aanspreekpunten voor problemen hebben. Daarnaast hebben sommige leerlingen meer interesse in het bouwen, die dan de andere leerlingen weer kunnen helpen.
- Bouwen is uiteindelijk voor de meeste leerlingen geen probleem. Scripten vinden ze echter veel moeilijker. Overweeg om leerling de ruimte te geven om een sessie te oefenen met het scripten. Vaak kunnen dezelfde scripts met een kleine aanpassing voor verschillende doeleinden gebruikt worden.
Didactisch:
- Koppel het project aan concrete lesstof, een onderwerp of thema. Dit onderwerp biedt houvast en een concreet doel voor de leerlingen. Binnen dit thema kan een aantal objecten worden gekozen die leerlingen kunnen uitbeelden in de virtuele omgeving.
- Maak de opdracht niet te groot. Probeer bijvoorbeeld niet een hele historische stad na te bouwen, maar neem een paar gebouwen die kenmerkend zijn voor die stad. Als het project sneller verloopt dan gedacht kunnen er altijd nog dingen bij gemaakt worden.
- Het leermoment zit vooral in het proces waarin leerlingen kennis opdoen over een bepaald object dat ze moeten uitbeelden in de virtuele omgeving. Ze moeten hierbij zelf de kennis over een onderwerp construeren. Ook zijn virtuele omgeving een goede omgeving voor samenwerking en kunnen leerlingen op dit vlak hun vaardigheden ontwikkelen.
- Zorg dat leerlingen het doel goed voor ogen blijven houden. Zoek een balans tussen duidelijke kaders waarin leerlingen moeten werken en de mate waarin zij hun creativiteit kunnen aanwenden. Laat leerlingen nadenken over hun bouwwerk en wat dit bijdraagt aan het uiteindelijke leerdoel.
- Maak leerlingen afhankelijk van elkaar. Een positieve afhankelijkheid van elkaar stimuleert samenwerking en informatie-uitwisseling.
- De docent begeleidt het proces, bewaakt de voortgang en schept de kaders waarin de opdracht moet worden uitgevoerd. Afhankelijk van de zelfstandigheid en het niveau van de leerlingen moet de docent deze kaders ruimer of scherper definiëren.
- De docent zelf hoeft niet per se alles te weten over de werking van de virtuele omgeving. Wel is het verstandig om enige affiniteit te krijgen met de virtuele omgeving om zodoende beter inzicht in de mogelijkheden en de vordering van het project te krijgen.